U mag

Ik stond aan de receptie van de tandartspraktijk om een afspraak te verzetten.
“U mag de volgende keer wel bellen” zei de receptioniste.
“O ik fietste toch langs” zei ik nog…
maar terwijl ik het zei realiseerde ik mij dat zij iets anders bedoelde.
Zij bedoelde namelijk: wij hebben liever dat u belt.
Of misschien zelfs: het is asociaal dat u zich hier zonder noodzaak durft te vertonen.
Op de keper beschouwd maakte zij mij een verwijt.
Verontschuldigend mompelde ik nog dat ik toch de regels in acht nam: afstand, mondkapje, maar het kwaad was geschied, de rest van de dag bracht ik schuldbewust en in schaamte door.

Dit is geen nieuw fenomeen.
Als mijn moeder vroeger zei: “je mag je schoenen wel poetsen!’ (dat deden wij toen nog) dan bedoelde ze feitelijk “nu onmiddellijk!”; het was een sommering verpakt als vriendelijke suggestie.
Dat is nog steeds aan de hand, zij het dan dat de ironie eruit is verdwenen; er bestaat kennelijk behoefte aan verdoezelende ‘newspeak’ als antwoord op de toenemende gezags-allergie bij burgers, iets dat de angel uit de verplichting haalt.
‘U mag uw fiets hier neerzetten’ zei een brave boa mij laatst. Vanwege de corona waren fietsen niet meer toegestaan op de Brink. Ik had helemaal geen zin om die fiets daar achter te laten, maar mijn irritatie daarover kon ik niet luchten.

Eerlijk gezegd betrap ik mezelf ook wel eens op deze truuk, het is een ingeburgerde gewoonte. Een beetje irritant maar anderzijds lijkt de wereld er net wat vriendelijker door; waar zou je je druk om maken.

[Illustratie: ontwerp voor een mondmasker]

Een eeuw van rust

Onlangs was het weer Open Monumentendag en ik ging kijken naar de oude Algemene Begraafplaats, een verstild stukje stadsnatuur. Hoewel ik daar toch vaak langs ben gefietst, was de plek mij nooit opgevallen; de ingang is dan ook bescheiden en een beetje verstopt. Waarschijnlijk maar goed ook. De aanleg was in 1830 aan de Hoge Hond (in dit geval geen alfa-beest maar een oude oppervlaktemaat). Dat was toen nog buiten de stadsmuren van Deventer – die werden pas in 1870 afgebroken. In 1918 is hier de laatste bijzetting geweest, dus al meer dan een eeuw geleden, maar als Rijksmonument is de begraafplaats ontsnapt aan gemeentelijke bouwdrift. Zo is te midden van de stadsuitbreiding een bijzonder stukje historie behouden gebleven. Enerzijds de bemoste graven, bevroren in de tijd, anderzijds de natuur die vrij spel heeft gehad waardoor er bijzondere planten te vinden zijn en er op de zerken nu ‘monumentale’ bomen staan.

Je vindt hier geen exorbitante praalgraven, maar mijn begeleidster wijst mij her en der op bekende Deventer burgers, die hier toch ook, maar niet al te nadrukkelijk, hun naam en faam over de dood heen hebben willen tillen. Dat zal ongetwijfeld de reden zijn dat deze plek er nog is.

Slenterend langs de vergane glorie, wordt duidelijk hoe futiel die greep naar de eeuwigheid is. Het wordt afdoende verbeeld door machtige bomen die de grafstenen met hun wortels verbrijzelen.

Opa Knuttel

Een vriend in een ver verleden, Diek heette hij, was van Indonesische afkomst. Wellicht is dat de verklaring waarom hij een bovengemiddelde belangstelling had voor het paranormale. Het geval wil namelijk, dat wij op een goede dag besloten hadden om een seance bij te gaan wonen bij mevrouw Knijpinga, een gerespecteerd medium in Den Haag. De seance vond plaats bij haar thuis, op een ruime zolder onder een zadeldak. Aan een van de uiteinden was een aantal eenvoudige stoelen neergezet voor de gasten, mevrouw zelf zat in het midden. Het was enigszins schemerig maar verder verstoken van de parafernalia die ik mij had voorgesteld bij zulke bijeenkomsten. Geen kaarsen, perzische tapijtjes en glazen bollen. Zij babbelde een beetje met het publiek, wat zij konden verwachten en dat er niks engs aan was. Geesten van overledenen zouden zich al dan niet aandienen, dat was aan hen. Zij vervolgde met te zeggen, dat de aanwezigen er wel ontvankelijk voor moesten zijn. Maar dat zij helaas een energie voelde, die erop duidde dat iemand van de aanwezigen niet openstond voor het contact met het hiernamaals. Bent u dat, meneer?? vroeg zij, terwijl zij mij priemend aankeek. Ik stamelde dat dat het dan wel zo zou zijn (hoewel ik toch echt dacht dat ik met open vizier en welgemeende nieuwsgierigheid was gekomen). U mag wel blijven, zei mevrouw Knijpinga, maar u kunt dan niet verwachten dat er iemand voor u komt. En dat gebeurde inderdaad niet. Mijn vriend had meer geluk. Hij werd bezocht door een geest die zichzelf voorstelde als Opa Knuttel, een naam die bij Diek geen belletje deed rinkelen. Mevrouw Knijpinga beschreef hem uitvoerig gedetailleerd als een witte man te paard, uitgedost in een tropenmenu. Deze koloniaal bracht boodschappen over van verre familieleden in de Oost. Ook andere gasten, alhoewel niet allemaal, kregen groeten of advies van overleden mensen. Jammer genoeg was mevrouw de enige die deze geestverschijningen kon zien en horen. Ik heb dan ook de verdenking, dat de geesten ontsproten uit haar levendige fantasie. Zij had dus toch gelijk.

[foto: Oude Kerk in Oosterbeek. Vanwege de lichtvlek waar ik wel een geest in zag]

Beschaving

In Roermond, stad van mijn jeugd, bezochten we de Designer-Outlet. Nog vóór de entree – het is een soort van compound – kregen we al een Efteling-gevoel – nee, meer nog Disneyland, die uitgekookte onechtheid met van die zoete kleurtjes. Een licht gevoel van ongemak bekroop ons, toen we door de hoofdpoort gingen zonder langs kassa’s te zijn gekomen. Eenmaal binnen werd het pretpark-gevoel nog versterkt door de aanwezigheid van dranghekken en bordjes die aangeven hoe lang de wachttijd tot de ‘attractie’ vanaf dat punt is. “Twee uur vanaf hier” stond ergens, niet te geloven. Nu zouden wij never-ever in zo’n wachtrij gaan staan, met of zonder Corona, dus we waren snel klaar in De designer-outlet. Maar toch petje af voor de professionaliteit waarmee de schapen door de kooi worden geloodst. Als winkel-pretpark-beleving toch een hoogtepunt, wat ik er verder ook van mag vinden. Nog het vermelden waard is een sculptuur van twee jachtluipaarden op een pleintje tussen de flagship-stores. Kijk, dat is tenminste wel gevoel voor humor.

Wij brachten ook een bezoek aan de Kapel in ‘t Zand, een bedevaartskerk. Op deze plek had volgens een legende een mirakel plaatsgevonden met een Mariabeeldje in een put. Destijds nog een beproefd recept om publiek naar de stad te krijgen in de vorm van – liefst kooplustige – pelgrims. Als een implicite verwijzing naar Lourdes zijn ook hier plastic flesjes te koop om daarin water uit de wonderput mee te nemen. In mijn jeugd – jaren ‘60 – was de kerk nog drukbezocht, maar het zal nu wel minder zijn geworden. De vele duizenden votieftegeltjes gaan tot het jaar 2009. Ik denk dat het stokje toen definitief is overgenomen door het nieuwe koopjeswalhalla (2001).

Verbeeldingstuin

[Fotoverslag]
De Verbeeldingstuin is een landschapstuin van het soort waar een paar mensen hun ziel en zaligheid in stoppen. Een levenswerk dat voortdurend in ontwikkeling is. Plannen worden telkens bijgesteld al naar gelang er zich mogelijkheden en toevalligheden voordoen. Bomen en struiken, die elders overtollig werden, krijgen hier een nieuw leven. Kunstnijverheid die rijp werd geacht voor de prullenbak komt hier weer tot zijn recht. Tijd is hier een cruciaal element, als vormgever van een gestaag groeiproces. In de tijd voegen alle componenten zich in het geheel, telkens vermengt het nieuwe zich met het oude, natuur met kunst. In de tijd ontstaat zo ook complexiteit, een veelheid aan details zoals dat niet aan een computer te bedenken is. Juist die werking van tijd maakt het aansprekend, dat is niet anders dan bij oude steden met hun doorleefde pleinen afgewisseld met en pittoreske stegen. Geen toonbeeld van efficiency maar wel van menselijke maat en geaccumuleerde vindingrijkheid.