Creatief met Corona

We leven momenteel onder Covid-regime; de pessimistische verwachting is dat het land binnenkort wel weer op slot zal gaan. Maar nu zijn de kunsttempels nog open en ik doe mijn best om van hun zegeningen te genieten zolang het kan. Zo kwam ik in het Valkhof in Nijmegen. Een modern gebouw met veel glas, omgeven door een park met bomen, zeg maar een bescheidener variant op het Kröller-Müller. Bovendien een mooie doorkijk naar de oude Waalbrug; hier is over nagedacht. De timing is ook perfect, nu de bomen net in herfstkleuren komen. Rondwandelend viel het op dat op veel plaatsen met plakstroken op de vloeren een kunstig patroon van gekleurde strepen was aangebracht. Het deed denken aan Mondriaan, die ook zo werkte met repen gekleurd plakband. Nergens informatie over deze creatieve uitbarsting te vinden, dus ik vroeg het aan een suppoost. Die glunderde en legde het mij graag uit: het patroon heeft een stramien van anderhalve meter en dient om gepaste afstand te kunnen houden tot de medemens. Kennelijk werd dat geacht voor zich te spreken, maar dat was dus niet het geval, wat dat betreft schoot het zijn doel voorbij. Maar als het nou geen museum was geweest, was het kwartje dan wèl gevallen?

Mijn Eerste Mondkapje

Wie herinnert zich niet het moment dat je voor het eerst een mondkapje op moest! Wij waren in Duitsland, in Nederland hoefde het nog niet, toen ik de eerste, tevens laatste doos kocht. Want ik koos voor de wasbare versie. Mensen keken elkaar toen nog verontschuldiend aan; kwam het tot een gesprekje dan was er de onlogische neiging om het maar even af te doen groot. Het mondkapje veroorzaakte ook een gevoel van benauwdheid, zo ernstig dat ik het om de haverklap even afdeed om fatsoenlijk te kunnen ademen. Puur psychologisch, blijkt achteraf, want tegenwoordig zit ik zelfs met zo’n ding op de fiets omdat ik uit gewenning was vergeten het weer af te doen na een winkelbezoek. Kijk ik nu in huis om mij heen, dan zie ik mondkapjes in diverse soorten en maten, her en der opgeduikeld als reclame-artikel. En als ik hier de holterweg af fiets, een kilometer of vier, dan tel ik er zomaar een stuk of twintig langs het fietspad! Onbedoeld natuurlijk, net als de vele handschoenen die daar in de wintertijd ook liggen. Maar toch ook een kwestie van mentaliteit. Per slot van rekening tref ik niet 20 i-phones of creditcards aan langs de weg. Zo heeft de coronastopper zich in recordtijd ontwikkeld van onwennige noodzaak tot nieuwe milieuplaag.

Een eeuw van rust

Onlangs was het weer Open Monumentendag en ik ging kijken naar de oude Algemene Begraafplaats, een verstild stukje stadsnatuur. Hoewel ik daar toch vaak langs ben gefietst, was de plek mij nooit opgevallen; de ingang is dan ook bescheiden en een beetje verstopt. Waarschijnlijk maar goed ook. De aanleg was in 1830 aan de Hoge Hond (in dit geval geen alfa-beest maar een oude oppervlaktemaat). Dat was toen nog buiten de stadsmuren van Deventer – die werden pas in 1870 afgebroken. In 1918 is hier de laatste bijzetting geweest, dus al meer dan een eeuw geleden, maar als Rijksmonument is de begraafplaats ontsnapt aan gemeentelijke bouwdrift. Zo is te midden van de stadsuitbreiding een bijzonder stukje historie behouden gebleven. Enerzijds de bemoste graven, bevroren in de tijd, anderzijds de natuur die vrij spel heeft gehad waardoor er bijzondere planten te vinden zijn en er op de zerken nu ‘monumentale’ bomen staan.

Je vindt hier geen exorbitante praalgraven, maar mijn begeleidster wijst mij her en der op bekende Deventer burgers, die hier toch ook, maar niet al te nadrukkelijk, hun naam en faam over de dood heen hebben willen tillen. Dat zal ongetwijfeld de reden zijn dat deze plek er nog is.

Slenterend langs de vergane glorie, wordt duidelijk hoe futiel die greep naar de eeuwigheid is. Het wordt afdoende verbeeld door machtige bomen die de grafstenen met hun wortels verbrijzelen.

Nog een levenswerk

Ter gelegenheid van zijn 25-jarige loopbaan, ben ik deze middag op ontdekkingstocht met natuurbeheerder Tino van Beek, samen met nog een stuk of twintig natuurliefhebbers. De jubilaris is een man van het robuuste soort en de toewijding aan zijn werk straalt af van zijn ikonische verschijning. Hij is hier duidelijk helemaal op zijn plek, het is ondenkbaar dat hij iets anders zou kunnen doen dan precies dit. Met verve en zichtbaar plezier vertelt hij over zijn passie, het landschap, de rijke flora die hier onder zijn bezielende leiding tot ontwikkeling is gekomen. En natuurlijk kleurrijke verhalen over aangegrepen kansen en afgewende bedreigingen. Mooi hoe mens en passie zo met elkaar verweven kunnen raken.
‘En hoe moet het nou als jij er niet meer zou zijn’ vraagt iemand uit het gezelschap.
Een retorische vraag eigenlijk; maar gelukkig is de jubilaris voornemens om ook de komende 25 jaar nog vol te gaan maken.

Beschaving

In Roermond, stad van mijn jeugd, bezochten we de Designer-Outlet. Nog vóór de entree – het is een soort van compound – kregen we al een Efteling-gevoel – nee, meer nog Disneyland, die uitgekookte onechtheid met van die zoete kleurtjes. Een licht gevoel van ongemak bekroop ons, toen we door de hoofdpoort gingen zonder langs kassa’s te zijn gekomen. Eenmaal binnen werd het pretpark-gevoel nog versterkt door de aanwezigheid van dranghekken en bordjes die aangeven hoe lang de wachttijd tot de ‘attractie’ vanaf dat punt is. “Twee uur vanaf hier” stond ergens, niet te geloven. Nu zouden wij never-ever in zo’n wachtrij gaan staan, met of zonder Corona, dus we waren snel klaar in De designer-outlet. Maar toch petje af voor de professionaliteit waarmee de schapen door de kooi worden geloodst. Als winkel-pretpark-beleving toch een hoogtepunt, wat ik er verder ook van mag vinden. Nog het vermelden waard is een sculptuur van twee jachtluipaarden op een pleintje tussen de flagship-stores. Kijk, dat is tenminste wel gevoel voor humor.

Wij brachten ook een bezoek aan de Kapel in ‘t Zand, een bedevaartskerk. Op deze plek had volgens een legende een mirakel plaatsgevonden met een Mariabeeldje in een put. Destijds nog een beproefd recept om publiek naar de stad te krijgen in de vorm van – liefst kooplustige – pelgrims. Als een implicite verwijzing naar Lourdes zijn ook hier plastic flesjes te koop om daarin water uit de wonderput mee te nemen. In mijn jeugd – jaren ‘60 – was de kerk nog drukbezocht, maar het zal nu wel minder zijn geworden. De vele duizenden votieftegeltjes gaan tot het jaar 2009. Ik denk dat het stokje toen definitief is overgenomen door het nieuwe koopjeswalhalla (2001).